Vasoplegie in beeld: resultaten van de eerste nationale audit in het VK

Sophie Schretlen
26 november 2025
2 min

Vasoplegie, of vasoplegisch syndroom (VS), is een ernstige vorm van vasodilatoire shock die regelmatig optreedt na hartchirurgie. Door extreme en ongecontroleerde vasodilatatie daalt de systemische vaatweerstand sterk, wat leidt tot hardnekkige hypotensie zonder effect op vochttoediening. Tegelijk blijft de cardiale output vaak normaal of zelfs verhoogd. Deze aanhoudende ontregeling veroorzaakt onvoldoende doorbloeding van vitale organen en gaat gepaard met aanzienlijke morbiditeit, mortaliteit en een slechte respons op standaard vasopressormedicatie. Hoewel vasoplegie frequent voorkomt en verschillende pre- en intraoperatieve risicofactoren ermee in verband worden gebracht, bestaat er geen uniforme definitie. Dit leidt tot sterk variërende gerapporteerde incidenties en bemoeilijkt de vergelijking tussen studies en de klinische besluitvorming.

Om meer inzicht te krijgen in deze aandoening voerde de Association of Cardiothoracic Anaesthetists and Critical Care (ACTACC) een nationale audit uit in het Verenigd Koninkrijk. Het doel was de incidentie, diagnostiek, behandeling en uitkomsten van vasoplegie in Britse hartcentra systematisch in kaart te brengen. Gedurende één maand werden alle volwassen patiënten die een hartoperatie ondergingen gescreend. Patiënten werden geregistreerd wanneer zij voldeden aan tenminste één van de volgende triggers: hoge dosis noradrenaline, meerdere vasopressoren of een zogenaamde ‘rescuetherapie’, zoals methyleenblauw, hydroxocobalamine of vitamine C.

Vasoplegie zelf werd klinisch bepaald volgens de VANCS- en ATHOS II-criteria: aanhoudend lage bloeddruk (gemiddelde arteriële druk <65 mmHg) ondanks voldoende vochttoediening, gecombineerd met een normale of verhoogde hartfunctie, gedefinieerd als een cardiac index >2,2 L/min/m² of een centrale veneuze zuurstofsaturatie >70% bij een centrale veneuze druk >8 mmHg. Patiënten die alleen aan de triggers voldeden, maar niet volledig aan de VS-criteria, vormden de triggered cohort (TC), terwijl patiënten die volledig aan de criteria voldeden tot het VC-cohort behoorden.

Van de 1.675 geopereerde patiënten voldeden 125 aan de triggercriteria (7,5%), waarvan 36 patiënten (2,1% van totaal) aan de volledige VANCS/ATHOS II-definitie. Cardiac-outputmonitoring werd slechts bij de helft van de patiënten toegepast. Ook de toegepaste rescue-behandelingen varieerden sterk. Zo kreeg 54% corticosteroïden in shock-dosering, 9,6% methyleenblauw en 7,2% hydroxocobalamine. Dit illustreert de grote variatie in praktijk en therapiekeuze tussen centra.

De geanalyseerde patiëntenpopulatie vormde een duidelijke hoogrisicogroep: de totale ziekenhuissterfte bedroeg 19%, met een mediane opnameduur van 18 dagen op de intensive care en 24 dagen in het ziekenhuis. Patiënten in het VC-cohort hadden een lagere EuroSCORE (European System for Cardiac Operative Risk Evaluation), wat wijst op minder onderliggende comorbiditeit, maar vertoonden juist, en zoals verwacht, duidelijkere tekenen van vasodilatatie en een lage systemische vaatweerstand.

Opvallend is dat het VC-fenotype, ondanks ernstigere vasodilatatie, een lagere ICU- en ziekenhuissterfte kende dan patiënten die niet voldeden aan de formele VS-definitie, hoewel hun IC-opname langer duurde. Deze schijnbare paradox suggereert dat patiënten met formeel gediagnosticeerde vasoplegie eerder worden herkend, intensiever worden gemonitord en vaker volgens een gestructureerd behandelbeleid worden behandeld. In lijn hiermee werd in de VC-groep ook vaker milrinon gebruikt (VC: 61% versus TC: 28%), waarschijnlijk als onderdeel van een bewuster en consistenter therapeutisch plan. Deze observaties onderstrepen het idee dat tijdige herkenning, gestandaardiseerde monitoring en systematische behandeling de uitkomsten kunnen verbeteren.

Alomvattend wijzen deze bevindingen erop dat niet alleen de onderliggende hemodynamiek bepalend is voor de uitkomst, maar vooral de mate van tijdige herkenning, gestandaardiseerde monitoring en gestructureerde behandeling. Standaardisatie in diagnostiek en opvolging zou daarom een belangrijke stap kunnen zijn om de prognose van patiënten met vasoplegie te verbeteren. Tegelijkertijd benadrukken de grote verschillen in diagnostiek en therapie tussen centra de noodzaak van verdere multicenterstudies om definities te uniformeren, valideren en optimaliseren en gerichte behandelingen te evalueren.

Deel blog:

Referenties

Deze blog is door artificiële intelligentie gegenereerd en door onze redactie gecontroleerd.